|
Actueel gedicht
BOERDERIJ BIJ DOORN
In deze hoeve heeft Napoleon
In achttienhonderdellef overnacht.
Het was een lentedag, lauw, zonder zon:
De oude bode, die berichten bracht
Langs de oude postweg, waar het dorp aan lag,
Zweette zoo erg dat hij ’t niet harden kon.
De kleine kamer waar de keizer sliep
Was stoffig en bedompt en rook naar kamfer.
Er was een haan die voor zijn venster riep;
De keizer uitte zich hierover schamper:
‘Le coq gaulois!’- men zegt, dat hij slecht sliep
Die nacht, door ’t eerste knagen van de kanker,
Waaraan hij in de vreemde sterven
zou…
De dorpelingen vreesden hem maar matig;
Zij vonden hem te dik, zijn blik te flauw,
’t Gevolg te klein, - de wacht liet, zeer nalatig,
Hen veel te dicht bij ’t witgekalkt en statig
Door Frankrijk overwapperde gebouw.
De witte vesting staat nog steeds gegrond:
Een vesting waarlijk, waar de bleeke keizer
Voor de allereerste maal ’t beleg doorstond
Van angst en pijn in plaats van kruit en ijzer,
En aan ’t onmerkbaar kruipen van de wijzer
Bij ’n flakkerende kaars de dood verstond.
S. Vestdijk
(Gestelsche liederen)
Verzamelde Gedichten, II, 63
Bijdrage van Fries de
Vries bij BOERDERIJ BIJ DOORN
Simon Vestdijk heeft dit gedicht
geschreven, toen hij in het gijzelaarskamp, het Klein -Seminarie
Beekvliet in Sint - Michielsgestel verbleef, volgens de opgave in het
Gedenkboek van 4 mei 1942 tot 1 maart 1943. In die periode voltrok
zich een poëtische explosie die in 1949 ondergebracht is in
Gestelsche liederen.
Het vers Boerderij bij Doorn
maakte eerder deel uit van een in 1944 verschenen uitgave De
uiterste seconde, waarbij Martin Hartkamp, de tekstbezorger van de
Verzamelde Gedichten, aantekent dat het gaat om verzen die in
juli en augustus 1942 geschreven zijn. De dertien verzen van de afdeling
De uiterste seconde in de Verzamelde Gedichten hebben éen
hoofdmotief: de dood. Vestdijk werd met zijn kampgenoten daarmee in het
bijzonder in aanraking gebracht op 15 augustus 1942, toen de bezetter
vijf gijzelaars terechtstelde, als represaille voor een overigens niet
gelukte overval op een militaire trein in Rotterdam.
Boerderij bij Doorn, een
strofisch gedicht bestaande uit vier maal zes versregels, veelal in
eindrijmpositie doch soms assonerend, is episch van trant. Het bevat in
essentie de confrontatie van keizer Napoleon met de vroegste aankondiging
van de dood door kanker. Napoleon ervoer zijn angst in de nacht die hij op
de witte boerderij doorbracht. Dit was zonder twijfel de weerspiegeling van
Vestdijks diepste vrees dat hij op zijn brits het gijzelaarskamp niet zou
overleven. Om welke boerenhoeve het in dit gedicht gaat, is mij niet bekend.
Met tal van poëtische middelen
weet de dichter het effect van benardheid, eenzaamheid, de menselijke
nietigheid en doodsvrees te bereiken.
Graag uw reactie!
Fries de Vries
Omtrent voorgaand gedicht is een forum geopend: Forum
gedichten
Eerder geplaatste gedichten
-----------------------------------------------------------------------
DE TWEE VRIENDEN
(voor
E. du Perron)
De schouders
hoog, de kop tot bijten klaar,
Eén hand met nagels in de jas getrokken
Die woelig kreukelt, strevend van elkaar
De knieën, als belemmerd vleugelpaar:
Vreesacht'ge vogel, uit zijn vlucht geschrokken!
Maar links
daarvan het stoer-vierkante bokken,
In kalm-gelijnde jas vaster gegaard;
De donk're stof verleidt haast witte vlokken
Omlaag te komen; als voor ijsbeerhokken
Schijnt die gestalte heerschend uitgespaard!
Rust en
gejaagdheid, eeuwig paar van vrienden,
Kunnen ook anders nog omschreven worden:
Loopt daar een gek met 'n broeder van 't gesticht?
Een
Muzenleider met Pegasosros,
De pezen door, ontmoedigd en bijziende?
Of een
kap'tein met 'n lamme albatros,
Die hij goedaardig in de veeren porde,
En die vergeefs zijn knieën heft naar 't licht?
S. Vestdijk
(uit: Verspreide Gedichten)
-----------------------------------------------------------------------
ACROSTICHON*
Reik hem de lauwerkrans. De honden huilen.
Eeuwen te laat is aan de eer voldaan.
Maak 't standbeeld hóog, dat zij het niet bevuilen.
Bijt, blafferts, in uw eigen domheidswaan.
Raak met uw muilen de andere niet aan.
Als overmande mocht hij in haar schuilen.
Nu zal het nageslacht de kunst verstaan
De schilder voor zijn bijslaap in te ruilen.
Sluit Saskia niet uit, de eerste, die
Achter dit jagen door de tijd ontwaakte.
Stierf ook de zoon? Wat leefde in die drie
Kind'ren der fantasie, de trots van wie
In uiterste ootmoed ied're uitvaart wraakte,
Adem van vormen die de schilder maakte?
S. Vestdijk, Doorn, januari 1956
* van boven naar beneden worden door de beginletters van dit sonnet de namen ‘Rembrandt' en ‘Saskia'gevormd, door de beginletters telkens van de achtste lettergreep de namen ‘Hendrikje (j is door een i vervangen) en Titus'. Daartussenin op onregelmatige afstanden, komen van boven naar beneden de letters voor van de woorden ‘laster'(eerste tot en met de zesde regel), ‘liefde'(negende tot en met de veertiende regel) en ‘meelij' (vijfde tot en met tiende regel).
-----------------------------------------------------------------------
DE OPRICHTING VAN HET KRUIS
Diagonaal, rechten en krommen zuchten
Onder uw aanloop van de oergrond uit.
De dommekracht geeft voet aan 't godsbesluit.
De vingers grijpen in de onweersluchten.
Geen licht, geen duister weet wat dit beduidt.
Hoe kan men hangend stijgen, staande vluchten,
Zwevende onderhevig aan geduchte
Kopspijkers, links naar rechts, en noord naar zuid?
Wiskunstenaar, die enkel op het kruis let,
Dat altijd maar twee houten armen had,
Bereken 't vlees dan hen tezamenbindt
Door recht te liggen op het harde bruidsbed,
Dat in de geest het al terechtbrengt wat
De duisternis aan licht en licht verslindt.
S. Vestdijk
Uit: Rembrandt en de engelen , 1956
-----------------------------------------------------------------------
ZELFPORTRET
Wacht u voor deze grijns, dit is de oude
Niet meer, de onvergankelijke niet meer.
Dit is de hoonlach die wij overhouden
Als 't leven voortkruipt na de ommekeer.
Niet meer het veelbewogen bloeien, zeer
In trek bij de tuinieren van de Gouden
Lusthof, niet meer de spelen van mooi weer
En mooie meisjes, die óók bloeien zouden.
Triomf der tandloosheid: grijsaards bijten
Wel feller dan de trotse jonglingschap:
Zij bijten met hun rimpels en hun ogen,
Die, héél ver af, de bloeienden verwijten
Dat ze in de lentewind zijn weggevlogen
En niet meer lachen om de satansgrap.
S. Vestdijk
uit: Rembrandt en de engelen, 1956
-----------------------------------------------------------------------
LEZENDE TITUS
Ik had hem alle woorden leren lezen
En zware boeken leren openslaan.
Mijn kleuren droeg hij kleurloos in zijn wezen.
Hij was te bleek. Zo ging hij hiervandaan.
Altijd goedhartig, is, waar wij nog vrezen,
Hij, hemeling, met onze vrees begaan.
Hij zou wel onze voorspraak willen wezen
Bij eng'len die ons mensen gadeslaan.
Dus leest hij boeken, steeds nog, en zijn ogen
Zijn groot van zorglijkheid om wat hij las
Over de zielen die naar hun vermogen
En hun tekorten worden afgewogen.
Over zijn vaders zondenboek gebogen
Is hij zo bleek als toen hij hier nog was.
S. Vestdijk
Uit: Rembrandt en de engelen, 1956
-----------------------------------------------------------------------
|