![]() |
|
Gedichten
Naar de index van de gedichten van S. Vestdijk
Vleermuis (Vestdijk en
de dieren) (PDF-bestand)Nieuwe gedichten van Vestdijk op muziek gezet Het Trio drie eilanden waarvan Dick Vestdijk deel uitmaakt, heeft een nieuwe cd uitgebracht waarop onderstaand nagelaten gedicht van zijn vader voorkomt:Lunapark Wij rollen op een montagne russe In ongelijken spoed. Je scherp-blauwe oogen glanzen, Je blonde haren dansen, Ik kijk maar toe, Vlak achter je gezeten En af en toe door mijn geweten Opschrikkend, Vroolijk rechtschikkend, Aan mijn dasje strikkend, Als droeg ik een halsband of een uniform, En ik grijns luid, maar onhoorbaar: 'Enorm!'— Maar als je weer voor je kijkt: steels Zak ik wat draaierig buiten de rails En verlang verveeld om eraf te springen, Mij in bergende tenten weg te wringen (Zoo bij die oude Zigeunervrouw, Die, dik, walmend, mijn handpalm openvouwd' Onder oogen als warme, geheime gitten, En waarvoor ik niet behoef op te zitten). S. Vestdijk (uit Nagelaten gedichten)
Muzikale uitvoering
op Vimeo van 'Lunapark' door Trio drie eilanden in de Prinsentuin, Leeuwarden op 14 augustus 2011.Vroege jeugdherinneringen Voor schrijvers zijn vroege jeugdherinneringen vaak een bron van inspiratie. De verwerking hiervan door Vestdijk in bijvoorbeeld Kind tusschen vier vrouwen en de daarop gebaseerde, maar omgewerkte Anton Wachter-romans zijn alom bekend. Maar ook in gedichten liet Vestdijk zich hierover horen, zoals uit de gedichten ‘Kinderportret’ en ‘De oude gang’ duidelijk blijkt. WvW, december 2011 Kinderportret ![]() Wat onvoorzichtigheid hem dezen sabel Ter hand te stellen! Trekt hij 'm: met één ruk In ééns, hooghartig als een connétable, Slaat hij 't wit laken achter zich tot fabel: Het vliegt reeds achteruit, als hij zich bukt! Hij is vijf jaar, maar zorgzaam, stuk voor stuk, Liep 'n gansch arsenaal voor hem leeg: een Babel Van wapens, ordeteekens, bij élk pluk- Haren benut,—maar hij maakt zich niet druk, En wacht tot men hem 'n overwinning kabelt! Blijft die soms uit? Waar ligt zijn droefenis Nu in? De stijve boord, het gouden frontje, De helm, de adelaar, boven het mondje De vastgeplakte snorbaard?... Want het is, Of achter 't brilletje twee somb're oogen Verweten dat hij zwaarder werd bedrogen Dan and're kind'ren, die één korten tel Alleen maar met een glimlach zijn gekweld... S. Vestdijk (uit Nagelaten gedichten)
De foto van de vijfjarige Simon speelt ook een rol in Kind tusschen vier vrouwen en in Meneer Visser's hellevaart. De oude gang Kent de gang bij nacht nog wie Herdenking 4/5 mei Vanaf 4 mei verblijft Vestdijk met 450 vooraanstaande Nederlanders als gijzelaar van de Duitse bezetter in het kleinseminarie 'Beekvliet' in Sint-Michielsgestel. Hij deelt de kamer met ds. Henkels, met wie hij in dichtvorm discussieert over religie. Op 25 januari 1943 wordt Vestdijk overgebracht naar de strafgevangenis te Scheveningen en onderhandelt over zijn vrijlating, dat eind februari gerealiseerd wordt. Vestdijk beloofde toetreding tot de Kultuurkamer. Het bewijs van zijn inschrijving is echter niet gevonden. In het gedicht ‘De gevangenschap’ brengt Vestdijk tot uitdrukking dat deze hechtenis zijn dichterschap er niet onder kreeg. WvW, december 2011 De gevangenschap ![]() Gevangen zat ik maanden, mijn viool Snaarloos en glansloos in een hoek gesmeten; Maar nooit was ik mijn smart zoo snel vergeten Zoo 'k niet mijn ziel tot zingen had geschoold. Daar kwamen al mijn lied'ren aangedoold, Elk schrijlings op de vensterbank gezeten, Door ijz'ren tralies naar hun maat gemeten, En met de morgenzon als aureool! Ik zag ze komen, elk lied een juweel Dat door een wreede pijn was gladgeslepen; Zij maakten mij voor heel de toekomst blind. Een zanger zingt-zingt-en verbrandt zijn schepen; En als het koord hem met de grond verbindt, Snijdt hij het door, en kiest het beet're deel. Uit: Madonna met de valken Vader en zoon In het oeuvre van Vestdijk komt het thema vader-zoon dikwijls voor. Deze thematiek slaat soms op de familiale band, bijvoorbeeld als dominante vader waarvoor Anton Wachter ontzag heeft en angstig is; soms ook op de christelijke Vader die zijn Zoon voor Zich laat lijden; en weer een andere keer neemt het de vorm aan van de verhouding tussen meester-leerling. Een voorbeeld op het eerste niveau is het gedicht 'Vader en zoon'. waarin de vader van buitenaf wordt beschreven ('ruw en onbehouwen') tegenover de zoon ('het fijne drijfwerk). Het is opgenomen in Klimmende legenden. Vestdijk moet van dit gedicht gehouden hebben want in zijn eigen bloemlezing Een op de zeven komt het opnieuw voor. vW, 18 januari 2011 Hij was een ruw en onbehouwen stuk, En bij het fijne drijfwerk van den zoon Stond hij verbaasd, zooals een reus zich bukt Naar dwergen, haam'rend aan een koningskroon. Hij kon niet mee. En kwam men hem te na Met lofzangen op zijn ontbloeid geslacht, Dan werd hij norsch, en kraakte in den nacht, Geloofde aan stormen, vorst en bloesenschâ. Eerst dacht hij zich zoo zwak dat werk, dat hij Het breken moest en krachtig overdoen! Maar nu hij zelf heengaat uit de rij, Sluipt iets onhandig sierlijks in zijn doen, Zooals een oude berg een druipsteengrot,- Die hij veracht, maar toch in eenzaamheid In zich bewondert soms,- tegen 't verbod In holten toelaat en niet meer bestrijdt. S. Vestdijk BOERDERIJ BIJ DOORN In deze hoeve heeft Napoleon In achttienhonderdellef overnacht. Het was een lentedag, lauw, zonder zon: De oude bode, die berichten bracht Langs de oude postweg, waar het dorp aan lag, Zweette zoo erg dat hij ’t niet harden kon. De kleine kamer waar de keizer sliep Was stoffig en bedompt en rook naar kamfer. Er was een haan die voor zijn venster riep; De keizer uitte zich hierover schamper: ‘Le coq gaulois!’- men zegt, dat hij slecht sliep Die nacht, door ’t eerste knagen van de kanker, Waaraan hij in de vreemde sterven zou… De dorpelingen vreesden hem maar matig; Zij vonden hem te dik, zijn blik te flauw, ’t Gevolg te klein, - de wacht liet, zeer nalatig, Hen veel te dicht bij ’t witgekalkt en statig Door Frankrijk overwapperde gebouw.De witte vesting staat nog steeds gegrond: Een vesting waarlijk, waar de bleeke keizer Voor de allereerste maal ’t beleg doorstond Van angst en pijn in plaats van kruit en ijzer, En aan ’t onmerkbaar kruipen van de wijzer Bij ’n flakkerende kaars de dood verstond. S. Vestdijk (Gestelsche liederen) Verzamelde Gedichten, II, 63 Simon Vestdijk heeft dit gedicht geschreven, toen hij in het gijzelaarskamp, het Klein -Seminarie Beekvliet in Sint - Michielsgestel verbleef, volgens de opgave in het Gedenkboek van 4 mei 1942 tot 1 maart 1943. In die periode voltrok zich een poëtische explosie die in 1949 ondergebracht is in Gestelsche liederen. Het vers 'Boerderij bij Doorn' maakte eerder deel uit van een in 1944 verschenen uitgave De uiterste seconde, waarbij Martin Hartkamp, de tekstbezorger van de Verzamelde Gedichten, aantekent dat het gaat om verzen die in juli en augustus 1942 geschreven zijn. De dertien verzen van de afdeling De uiterste seconde in de Verzamelde Gedichten hebben éen hoofdmotief: de dood. Vestdijk werd met zijn kampgenoten daarmee in het bijzonder in aanraking gebracht op 15 augustus 1942, toen de bezetter vijf gijzelaars terechtstelde, als represaille voor een overigens niet gelukte overval op een militaire trein in Rotterdam. 'Boerderij bij Doorn', een strofisch gedicht bestaande uit vier maal zes versregels, veelal in eindrijmpositie doch soms assonerend, is episch van trant. Het bevat in essentie de confrontatie van keizer Napoleon met de vroegste aankondiging van de dood door kanker. Napoleon ervoer zijn angst in de nacht die hij op de witte boerderij doorbracht. Dit was zonder twijfel de weerspiegeling van Vestdijks diepste vrees dat hij op zijn brits het gijzelaarskamp niet zou overleven. Om welke boerenhoeve het in dit gedicht gaat, is mij niet bekend. Met tal van poëtische middelen
weet de dichter het effect van benardheid, eenzaamheid, de menselijke
nietigheid en doodsvrees te bereiken. Fries de Vries † DE TWEE VRIENDEN (voor E. du Perron) De schouders
hoog, de kop tot bijten klaar, Maar links
daarvan het stoer-vierkante bokken, Rust en
gejaagdheid, eeuwig paar van vrienden, Een
Muzenleider met Pegasosros, Of een
kap'tein met 'n lamme albatros, S. Vestdijk (uit: Verspreide Gedichten) Rembrandtjaar 2006 Plots lag eind 1955 daar het verzoek van de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, mr. Cals, aan Vestdijk om ter gelegenheid van het driehonderdvijftigste geboortejaar van Rembrandt in 1956 een gedicht over de grote schilder te dichten. Het werden er ‘twaalf gedichten en een acrostichon’. Ter gelegenheid van de herdenking van 400 jaar Rembrandt kwam er een herdruk van deze Rembrandt en de Engelen. Hieruit vier gedichten ter ere van de nu ‘400 jarige Rembrandt’. WvW, december 2011 ACROSTICHON* Reik hem de lauwerkrans. De honden huilen.Eeuwen te laat is aan de eer voldaan. ![]() Maak 't standbeeld hóog, dat zij het niet bevuilen. Bijt, blafferts, in uw eigen domheidswaan. Raak met uw muilen de andere niet aan. Als overmande mocht hij in haar schuilen. Nu zal het nageslacht de kunst verstaan De schilder voor zijn bijslaap in te ruilen. Sluit Saskia niet uit, de eerste, die Achter dit jagen door de tijd ontwaakte. Stierf ook de zoon? Wat leefde in die drie Kind'ren der fantasie, de trots van wie In uiterste ootmoed ied're uitvaart wraakte, Adem van vormen die de schilder maakte? S. Vestdijk, Doorn, januari 1956 * van boven naar beneden worden door de beginletters van dit sonnet de namen ‘Rembrand' en ‘Saskia' gevormd, door de beginletters telkens van de achtste lettergreep de namen ‘Hendrikje (j is door een i vervangen) en Titus'. Daartussenin op onregelmatige afstanden, komen van boven naar beneden de letters voor van de woorden ‘laster'(eerste tot en met de zesde regel), ‘liefde'(negende tot en met de veertiende regel) en ‘meelij' (vijfde tot en met tiende regel). DE OPRICHTING VAN HET KRUIS Diagonaal, rechten en krommen zuchten
Geen licht, geen duister weet wat dit beduidt.
Wiskunstenaar, die enkel op het kruis let,
S. Vestdijk Uit: Rembrandt en de engelen , 1956 ZELFPORTRET Wacht u voor deze grijns, dit is de oude
Niet meer het veelbewogen bloeien, zeer
Triomf der tandloosheid: grijsaards bijten
S. Vestdijk uit: Rembrandt en de engelen, 1956
LEZENDE TITUS Ik had hem alle woorden leren lezen
Altijd goedhartig, is, waar wij nog vrezen,
Dus leest hij boeken, steeds nog, en zijn ogen
S. Vestdijk Uit: Rembrandt en de engelen, 1956
|
| | © 2011 Vestdijkkring | Welkom | Contact | Gastenboek | Top | |